Dieren

Er is wetenschappelijk al veel bekend over waar een dierwaardige veehouderij in moet voorzien. Op basis van de inzichten die de afgelopen tientallen jaren zijn opgedaan, adviseert de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA):

Ga uit van de intrinsieke waarde en integriteit van het dier.

Dit betekent: respect voor de eigen waarde van het dier als wezen met gevoel, dat pijn en plezier kan ervaren.

Hoorns, staarten, snavels en tenen worden niet meer routinematig afgebrand en afgeknipt. Houderijsystemen worden zo ontworpen dat lichamelijke ingrepen niet meer nodig zijn. Dieren worden niet meer gefokt om zo veel mogelijk te produceren. Er worden gezonde, robuuste en idealiter ‘dubbeldoeldieren’ gefokt.

Zorg voor goede voeding.

Voldoende en kwalitatief goed voer wordt in frequentie, samenstelling, variëteit en wijze van aanbieden afgestemd op de biologie en voorkeuren van het dier. Bijvoorbeeld voor een gezonde en natuurlijke groei. Er is altijd voldoende en schoon drinkwater.

Zorg voor een goede omgeving.

Een leefomgeving met gezonde, frisse lucht en per diersoort vastgestelde temperaturen. Als de dieren niet naar buiten kunnen, valt er minstens natuurlijk daglicht in de stal.

De structuur van de leefomgeving wordt afgestemd op de voorkeuren van de dieren. De ondergrond moet in ieder geval voldoende grip bieden, zodat dieren comfortabel en gemakkelijk kunnen bewegen. Er zijn comfortabele ligplekken.

Dieren kunnen schuilen. Voor hitte en kou, maar ook tegen ongewenst gedrag van andere dieren. Als er geen buitenuitloop is, zijn er vluchtroutes zodat de dieren kunnen ontsnappen bij brand.

Zorg voor een goede gezondheid.

Dieren zijn fysiek gezond en vrij van uiterlijke afwijkingen. Het dier heeft een glanzende vacht of een goed verenkleed. Ogen, oren, ledematen en huid zijn vrij van ontstekingen en wonden en zien er gaaf uit. Het dier beweegt zich soepel. Medische zorg is maatwerk en toegespitst op het individuele dier.

Dieren kunnen hun natuurlijke gedrag vertonen.

De RDA noemt: beweging, eten en drinken, exploratie, gezondheid, maternaal gedrag, mesten en urineren, nestbouw, reproductie, rusten, seksueel gedrag, sociaal gedrag, thermoregulatie, veiligheid en zelfverzorging.

Voor de leefruimte van het dier betekent dit: geen kooien; diverse functionele gebieden, zoals eet-, rust- en toiletruimtes; voldoende strooisel en/of verrijking; en voldoende ruimte voor spel, rust, maternaal gedrag en andere natuurlijke gedragingen.

Dieren kunnen zich bewegen in een bij de soort passende sociale groep. Ook kunnen zij zich naar behoefte en eigen aard terugtrekken.

Gun dieren een positieve emotionele toestand.

Als aan voorgaande vijf principes wordt voldaan, kunnen dieren volgens de RDA een overwegend positieve emotionele toestand ervaren. Voor dat laatste moet het dier kunnen reageren op omstandigheden in de omgeving.

Klik op één van de dieren om meer te lezen over hun soorteigen gedragsbehoeften.