In de Zienswijze Dierwaardige veehouderij (2021) noemt de Raad voor Dierenaangelegenheden de volgende natuurlijke gedragsbehoeften van alle diersoorten:
- Beweging
- Eten en drinken
- Exploratie
- Gezondheid
- Maternaal gedrag
- Mesten en
urineren - Nestbouw
- Reproductie
- Rusten
- Seksueel gedrag
- Sociaal gedrag
- Thermoregulatie
- Veiligheid
- Zelfverzorging
Een ‘quickscan informatieset‘ ten behoeve van het Convenant Stappen naar een dierwaardige veehouderij door wetenschappers van de Universiteit Utrecht en een uitvoerig advies van het panel voor diergezondheid en dierenwelzijn van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) aan de Europese Commissie en 27 lidstaten noemen in het bijzonder de volgende gedragsbehoeften waarin een dierwaardige schapenhouderij moet voorzien:
- Comfortgedrag
- Exploratiegedrag,
foerageren - Maternaal gedrag
- Zooggedrag
- Rusten
- (Vertonen en vermijden van) seksueel gedrag
- Onderhouden van sociale banden
- Spelgedrag
- Thermoregulatie
- Voer- en wateropname
Comfortgedrag
Schapen vertonen weinig comfortgedrag behalve schuren bij jeuk. Daar zijn ook in de gangbare schapenhouderij meestal oppervlakken voor te vinden, zoals hekken, muren en palen.
Lik- en poetsgedrag van soortgenoten vindt alleen plaats tussen moeder en lam.
Prof. Bas Rodenburg, dr. Mona Giersberg en dr. Vivian Goerlich (2022)
Exploratiegedrag, foerageren
Schapen besteden tijd aan het verkennen van hun omgeving, en besteden een groot deel van hun tijd aan het vinden en manipuleren van voedsel. Ze eten vaak gras en kruiden, maar ook bladeren van bomen en struiken. Wanneer dieren concentraat (brokken) wordt aangeboden, kunnen ze dit exploratiegedrag niet vertonen. Schapen moeten daarom volgens de wetenschappers van de Universiteit Utrecht toegang hebben tot grasland, ook in de zomerperiode.
Het moet mogelijk zijn om soorteigen natuurlijk gedrag te vertonen, zoals foerageren.
EFSA-panel voor diergezondheid en dierenwelzijn (2014)
Schapen die voor lange tijd of permanent op stal worden gehouden, vertonen volgens de EFSA-deskundigen ongeacht de bezettingsgraad stereotiep gedrag, zoals excessief likken, langdurig in de lucht staren en met de poten op de grond schoppen.
Maternaal gedrag
Moederschapen zonderen zich voorafgaand aan hun bevalling af van de kudde. Als dat niet mogelijk is, leidt dat tot afwijkend gedrag, onrust en stress bij de moeder, wat een weerslag kan hebben op de gezondheid van het lam. De houderij moet voldoende ruimte én rust bieden, zodat het schaap maternaal gedrag kan vertonen.
Moeder en lam bouwen direct na de geboorte een hechting op. Beiden herkennen elkaar aan geur en geluid. In de natuur blijven moeder en lam volgens de EFSA-deskundigen minstens zes maanden bij elkaar. Het vroegtijdig scheiden van ooi en lam kan even sterke angst- en paniekreacties oproepen als sociale isolatie.
Zooggedrag
Lammeren zijn sterk gemotiveerd om — het liefst samen en tegelijk — zooggedrag te vertonen.
In de gangbare schapenhouderij worden moeder en lammeren meestal enkele dagen apart gehouden van de rest van de kudde.
Het moment waarop lammeren van hun moeder worden gescheiden, heeft volgens de EFSA-deskundigen een invloed op het vermogen van jonge dieren om gezonde sociale banden te vormen met andere schapen en schapenhouders.
Gescheiden lammeren presteren zelden zo goed als lammeren die door hun moeder worden grootgebracht. Abrupt spenen wordt ook geassocieerd met … een lagere groeisnelheid en een hogere vatbaarheid voor ziekten.
EFSA-panel voor diergezondheid en dierenwelzijn (2014)

Rusten
Schapen geven de voorkeur aan een droog en comfortabel ligoppervlak, waarbij hitte- en koudestress worden vermeden.
Dieren moeten comfortabel kunnen rusten.
EFSA-panel voor diergezondheid en dierenwelzijn (2014)
Volgens de wetenschappers van de Universiteit Utrecht moeten schapen ook vrije keuze hebben om zich te verplaatsen en een comfortzone op te zoeken.
Gebrek aan geschikte rustplekken — door een te hoge bezettingsdichtheid, gebrek aan beschutting of schaduw, of gebrek aan een geschikte ondergrond of strooisel — kan leiden tot concurrentie, ongemak, stress en vermoeidheid.
Schapen liggen volgens de deskundigen van de EFSA liever op stro dan op andere soorten vloerbedekking, en vertonen een voorkeur om tegen een stevige muur aan te rusten.
(Vertonen en vermijden van) seksueel gedrag
In de schapenhouderij wordt vrijwel altijd gebruikgemaakt van natuurlijke dekking. Soms wordt synchronisatie van de oestrus toegepast.
Rammen vertonen zoekgedrag in het dekseizoen maar krijgen alleen de kans om te dekken als de ooi sta-reflex vertoont.

Onderhouden van sociale banden
Schapen zijn sociale dieren, onderhouden sociale banden met elkaar en vertonen sociale voorkeuren. Ze reageren zeer negatief op sociale isolatie.
Het scheiden van schapen van de kudde veroorzaakt een angst- of paniekreactie die zich uit in overmatige beweging, vluchtpogingen en een verhoogde vocalisatie.
EFSA-panel voor diergezondheid en dierenwelzijn (2014)
In de meeste houderijsystemen zijn schapen volgens de EFSA-deskundigen in staat om sociaal gedrag te vertonen, zoals omgaan met voorkeursgenoten, het vormen van subgroepen om te grazen en te rusten, en het vertonen van kuddegedrag.
Schapen handhaven sociale cohesie door middel van geursignalen en visuele waarnemingen. Wanneer schapen in te grote groepen worden gehouden, of in nieuwe groepen worden verdeeld, kan dat leiden tot angst en stress, maar ook afwijkend gedrag, verminderd leervermogen en zelfs agressie naar andere dieren, vooral als de ruimte beperkt is.
De wetenschappers van de Universiteit Utrecht raden aan om schapen in kleinere groepen te houden dan gangbaar is. Ook moeten de ruimte en structuur van de huisvesting schapen de kans bieden om andere dieren te vermijden.
Wanneer schapen van hetzelfde ras, maar die elkaar niet kennen, in dezelfde omheining worden geplaatst, integreren ze mettertijd in één kudde. Schapen van verschillende rassen integreren niet.

Spelgedrag
Lammeren vertonen spelgedrag, wat een positief effect heeft op hun emotionele en fysieke gezondheid.
In beperkende ruimtes met een hoge bezettingsgraad kunnen jonge dieren dit gedrag niet of onvoldoende uitoefenen, wat leidt tot frustratie en vermindering van sociaal gedrag en sociale vaardigheden. Ook na pijnlijke ervaringen, zoals castratie of onvoldoende voeding, neemt spelgedrag af.
Hoewel de afwezigheid van waarneembaar spelgedrag volgens de EFSA-deskundigen geen betrouwbare indicator is voor een slecht welzijn, kan de aanwezigheid van spelgedrag wél als teken van positief welzijn worden opgevat.
Speelgedrag wordt vaak geïnterpreteerd als een uiting van een positieve mentale toestand die duidt op een goed welzijn.
EFSA-panel voor diergezondheid en dierenwelzijn (2014)
De wetenschappers van de Universiteit Utrecht raden voldoende ruimte aan om spelgedrag te bevorderen. Ook een geschikte sociale groepsstructuur is hierbij van belang.
Thermoregulatie
Schapen kunnen zich fysiologisch en gedragsmatig aanpassen om warmteverlies te reguleren en extreme temperaturen te verdragen, maar zijn ook gevoelig voor hitte- en koudestress.
Over het algemeen hebben veel melkschapenrassen een dunnere vacht dan vleesrassen, wat suggereert dat deze ooien vaker stro nodig hebben voor een adequate thermoregulatie, met name bij koud weer.
EFSA-panel voor diergezondheid en dierenwelzijn (2014)
De deskundigen van de EFSA benadrukken dat verzorgingspraktijken, zoals bijvoeding, scheren en het aanbieden van strooisel, afhankelijk van de temperatuur moeten worden aangepast om hitte- of koudestress te voorkomen.
Bij onvoldoende beschutting in de wei, en onvoldoende isolatie en ventilatie van — en gebrek aan variatie in thermozones binnen — de stal kunnen schapen niet door veranderingen in hun eigen gedrag thermaal comfort bereiken. Dat leidt niet alleen tot hitte- of koudestress, maar beperkt ook hun aanpassingsvermogen.
Beschutting, isolatie en ventilatie zijn dus van belang, maar volgens de wetenschappers van de Universiteit Utrecht óók dat schapen vrije keuze hebben om zich te verplaatsen en een comfortzone op te zoeken.
Voer- en wateropname
Schapen zijn van nature gewend aan een wisselende beschikbaarheid en kwaliteit van voedsel afhankelijk van de seizoenen. Er zijn volgens de EFSA-deskundigen seizoensgebonden veranderingen in de eetlust waarneembaar bij veel traditionele schapenrassen.
Schapen zijn echter altijd bereid om aanzienlijke arbeid te verrichten om voedsel te verkrijgen, wat suggereert dat de dieren een negatieve emotionele toestand ervaren bij honger.
Ondervoeding en slechte voeding veroorzaken stress, wat — indien langdurig of ernstig genoeg — kan leiden tot verzwakking, verlies van lichaamsconditie, immunosuppressie en ziekte.
EFSA-panel voor diergezondheid en dierenwelzijn (2014)
Het risico op hongerstress is hoger bij drachtige schapen. Vooral in de laatste zes weken van de dracht neemt de energiebehoefte toe. Bij hoogproductieve melkschapen is de metabolische vraag, en het risico op stofwisselingsziekten, nog groter.
Het aanbieden van energierijk maar uniform concentraat (brokken) kan ertoe leiden dat schapen te weinig voer en voedingsstoffen opnemen, wat kan leiden tot honger, ziekte en afwijkend gedrag, zoals op de knieën liggen om te eten. De wetenschappers van de Universiteit Utrecht raden een gevarieerd dieet aan van lagere energie.
Water drinken schapen alleen uit schone drinkbakken of wateroppervlakken. Wanneer er (te weinig) schone drink- of voerbakken in de huisvesting zijn, en dieren in de rij moeten wachten om te drinken of eten, kan dit ertoe leiden dat schapen te weinig water of voer opnemen en lijden aan dorst of honger.




















