In de Zienswijze Dierwaardige veehouderij noemt de Raad voor Dierenaangelegenheden de volgende natuurlijke gedragsbehoeften van alle diersoorten:
- Beweging
- Eten en drinken
- Exploratie
- Gezondheid
- Maternaal gedrag
- Mesten en
urineren - Nestbouw
- Reproductie
- Rusten
- Seksueel gedrag
- Sociaal gedrag
- Thermoregulatie
- Veiligheid
- Zelfverzorging
Een ‘quickscan informatieset‘ ten behoeve van het Convenant Stappen naar een dierwaardige veehouderij door wetenschappers van de Universiteit Utrecht en een uitvoerig advies van het panel voor diergezondheid en dierenwelzijn van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) aan de Europese Commissie en 27 lidstaten noemen in het bijzonder de volgende soorteigen gedragsbehoeften waarin een dierwaardige varkenshouderij moet voorzien:
- Comfortgedrag
- Exploratie- en scharrelgedrag, foerageren
- Maternaal gedrag
- Zooggedrag
- Rusten
- (Vertonen en vermijden van) seksueel gedrag
- Onderhouden van sociale banden
- Spelgedrag
- Thermoregulatie
- Voer- en wateropname
Comfortgedrag
Uitingen van comfortgedrag zijn krabben, schuren en ‘zoelen’ (het nemen van een modderbad). Varkens doen dit om jeuk en huidirritatie tegen te gaan, parasieten te verwijderen en hun lichaamstemperatuur te reguleren.
De wetenschappers van de Universiteit Utrecht bevelen aan om in ieder geval borstels in stallen, en boomstammen en/of modderpoelen in buitenuitlopen en weiden, aan te bieden.
Omdat het varken een instabiele houding aanneemt wanneer het krabt of schuurt, is het van belang dat de ondergrond voldoende stroef is om uitglijden te voorkomen.
Exploratie- en scharrelgedrag, foerageren
Varkens zijn sterk gemotiveerd om hun omgeving te onderzoeken en voedsel te zoeken. Houderijsystemen moeten volgens de wetenschappers van de Universiteit Utrecht daarom zo worden ontworpen dat varkens kunnen exploreren — door te wroeten, kauwen en snuffelen.
Varkens moeten permanent toegang hebben tot een voldoende hoeveelheid materiaal dat exploratie en manipulatie mogelijk maakt. Dit materiaal dient regelmatig te worden vervangen of aangevuld, en moet één of meer van de volgende kenmerken hebben: eetbaar of voerachtig zijn, kauwbaar, onderzoekbaar (bijvoorbeeld wroetbaar) en manipuleerbaar zijn (het varken kan bijvoorbeeld de plaats, het uiterlijk of de structuur veranderen).
Prof. Bas Rodenburg, dr. Mona Giersberg en dr. Vivian Goerlich (2022)
In de stal kan dit materiaal worden verstrekt als strooisel of in een ruif of dispenser boven een dichte vloer, zoals hooi of stro. En worden opgehangen, zoals een jutezak, hout en natuurlijk touw. Losse organische substraten — hooi, kuilvoer, stro — hebben de voorkeur boven hangende objecten.
In kale, prikkelarme omgevingen worden varkens in hun gedragsbehoefte beperkt. Dit leidt tot verveling, stress en frustratie, wat varkens uiten met stereotiep gedrag, zoals schijn- en stangkauwen, en het verwonden van hokgenoten door in oren en staarten te bijten.
Maternaal gedrag
Nestgedrag uit zich in het verzamelen van nestmateriaal, het deponeren ervan op de nestplaats, het omdraaien, en het vertonen van poot- en wroetgedrag in de uren voor het werpen.
Als gedomesticeerde varkens los worden gelaten in een natuurlijke omgeving, zie je dat allerlei natuurlijke gedragingen weer terugkomen. Zo zie je dat zeugen een nest gaan bouwen voor het biggen en hun natuurlijke moedergedrag weer laten zien.
Raad voor Dierenaangelegenheden (2021)
Volgens de wetenschappers van de Universiteit Utrecht moeten de ondergrond en leefomgeving daar voldoende mogelijkheid en ruimte voor bieden. Dat is onmogelijk in een kraamkooi, waarin de moeder volgens de EFSA-deskundigen tevens ernstig wordt beperkt in het zogen van, en haar interactie met, de biggen. Geschikte materialen voor bijvoorbeeld een vrijloopkraamhok zijn hooi en langstengelig stro.
Zooggedrag
Biggen zijn gemotiveerd om aan een uier te zuigen om zich te voeden. Abrupt en vroegtijdig spenen, zoals gangbaar in de varkenshouderij, veroorzaakt stress en ziekte (zoals een hoge prevalentie van diarree) bij biggen.
Biggen zogen volgens de deskundigen van de EFSA tot een leeftijd van 6 tot 8 weken, wanneer vast voedsel een belangrijk deel van hun dieet uitmaakt.
Kunstmatige opfok mag volgens de wetenschappers van de Universiteit Utrecht alleen als ‘laatste redmiddel’ worden ingezet en niet routinematig.
Rusten
Varkens hebben een behoefte om op een schone plek te liggen, comfortabel te rusten en te slapen. Dat is volgens de deskundigen van de EFSA ‘onmogelijk’ op de betonnen (rooster)vloeren die nu gangbaar zijn in de varkenshouderij.
Varkens rusten vaker op hun zij dan op hun buik. Op die manier verdelen ze hun gewicht beter en koelen ze meer van hun lichaam af.
Volgens de wetenschappers van de Universiteit Utrecht moeten varkens voldoende ruimte hebben om opzij te liggen en van houding te veranderen. Vloeren moeten schoon en zacht zijn en goed onderhouden worden. Naast strooisel kan worden voorzien in rubbermatten. Ook is het van belang dat varkens aparte plekken hebben om te mesten en te rusten.

(Vertonen en vermijden van) seksueel gedrag
In groepshuisvesting vertonen varkens in oestrus seksueel gedrag, zoals het achtervolgen, besnuffelen en bestijgen van andere zeugen. In groepen van intacte beren kan ongewenst seksueel gedrag optreden, zoals het bestijgen van andere beren, wat kan leiden tot verwondingen, pijn en stress.
Preventieve maatregelen zijn het groeperen van zeugen van vergelijkbare grootte en gewicht, het voorzien in een vloer met goede grip en ruimte om de aandacht van dieren in oestrus te vermijden of eraan te ontsnappen.
EFSA-panel voor diergezondheid en dierenwelzijn (2022)
Houderijsystemen moeten volgens de wetenschappers van de Universiteit Utrecht varkens voldoende ruimte en schuilmogelijkheden bieden om zich terug te trekken van seksueel actieve hokgenoten.
Welzijnsgevolgen van het niet kunnen uitoefenen van seksueel gedrag zijn nog onvoldoende onderzocht.
Onderhouden van sociale banden
Varkens leven in stabiele sociale groepen. In een (semi-)natuurlijke omgeving bestaat de primaire sociale groep uit twee tot vier moedervarkens, hun meest recente nest en jongen van vorige nesten. Zeugen en biggen onderhouden een stabiele sociale orde, wat volgens de Raad voor Dierenaangelegenheden een belangrijke basis kan zijn voor positieve welzijnservaringen. Ook kunnen dieren in een groep elkaar met stressoren helpen omgaan.
Veranderingen in de groepssamenstelling daarentegen kunnen leiden tot negatieve welzijnservaringen en zelfs rangordegevechten.
De wetenschappers van de Universiteit Utrecht raden aan om biggen vroegtijdig — vanaf een leeftijd van 2 weken — te socialiseren met biggen uit andere nesten en varkens (zo veel mogelijk) in dezelfde sociale groep te laten opgroeien en verblijven. Dat kan in vrijloopkraamhokken en bij groepsopfok.
Spelgedrag
Met name biggen en jonge (vlees)varkens zijn gemotiveerd om spelgedrag uit te oefenen, met een piek op een leeftijd van 2-6 weken. Ze vertonen sociaal spel met soortgenoten, bewegingsspel en spel met objecten. Wanneer varkens onvoldoende mogelijkheid krijgen om te spelen, kan dit leiden tot verveling, frustratie en verstoorde sociale relaties.
Voor spelgedrag hebben varkens ruimte nodig. Met name sociaal spel en bewegingsspel, waarbij varkens (achter elkaar aan) rennen, vragen om voldoende ruimte. Voor het uitvoeren van objectspel, waarbij een varken materiaal in de mond houdt en het energiek heen en weer schudt, is afleidingsmateriaal nodig dat voldoet aan dezelfde eisen van exploratie- en scharrelgedrag.
De beperkte ruimte voor jonge varkens (in het kraamhok en na het spenen) in de gangbare varkenshouderij is een belemmerende factor voor spelgedrag. Deskundigen van de EFSA raden aan om de ruimte in het kraamhok te vergroten en zo meer kans te bieden om te spelen. Houderijsystemen die varkens na het spenen genoeg ruimte bieden voor exploratie, en een gescheiden mest- en rustplaats geven, zullen ook genoeg ruimte bieden voor spelgedrag.

Thermoregulatie
Varkens zijn … afhankelijk van gedragsmaatregelen om hun temperatuur te reguleren en hebben hiervoor voldoende ruimte nodig bij hoge omgevingstemperaturen. Deze maatregelen omvatten het bewaren van afstand tot hun hokgenoten en het aannemen van een zijligging.
EFSA-panel voor diergezondheid en dierenwelzijn (2022)
Vooral zeugen zijn volgens de wetenschappers van de Universiteit Utrecht gevoelig voor hittestress, biggen juist voor koudestress. Voor zogende zeugen zijn temperaturen hoger dan 25 graden Celsius ‘kritisch’.
Zij raden aan om varkens vrije toegang te bieden tot koelere en warmere plekken. Voor biggen betekent dit: houderijsystemen die het behouden van de lichaamswarmte bevorderen en zorgen voor een warmer microklimaat. Dit omvat een goede isolatie van dak en muren, diep strooisel (zoals droog stro) en het voorkomen van tocht. Zeugen moeten zich aan het warme microklimaat voor de biggen kunnen onttrekken.
Voer- en wateropname
Varkens eten het liefst samen en gelijktijdig. Dat kan leiden tot voercompetitie als er onvoldoende eetplaatsen worden aangeboden.
De deskundigen van de EFSA raden aan om de samenstelling van krachtvoer zo aan te passen dat de dieren langer en langzamer eten. Dat kan door de voedingsmassa te vergroten, maar de voedingsdichtheid te verlagen. Dit zorgt ook voor een langere fermentatie in de darmen.
Varkens moeten altijd kunnen drinken. Ook voor drinkbakken geldt dat er voldoende aanwezig moeten zijn gelet op de grootte van de groep, en dat de bakken, en het water, schoon moeten zijn.





















