In de Zienswijze Dierwaardige veehouderij noemt de Raad voor Dierenaangelegenheden de volgende natuurlijke gedragsbehoeften van alle diersoorten:
- Beweging
- Eten en drinken
- Exploratie
- Gezondheid
- Maternaal gedrag
- Mesten en
urineren - Nestbouw
- Reproductie
- Rusten
- Seksueel gedrag
- Sociaal gedrag
- Thermoregulatie
- Veiligheid
- Zelfverzorging
Een ‘quickscan informatieset‘ ten behoeve van het Convenant Stappen naar een dierwaardige veehouderij door wetenschappers van de Universiteit Utrecht en twee uitvoerige adviezen van het panel voor diergezondheid en dierenwelzijn van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) aan de Europese Commissie en 27 lidstaten — één over leghennen en één over vleeskuikens — noemen in het bijzonder de volgende soorteigen gedragsbehoeften waarin een dierwaardige pluimveehouderij moet voorzien:
- Comfortgedrag
- Exploratie- en scharrelgedrag, foerageren
- Maternaal gedrag
- Moederzorg
- Rusten
- (Vertonen en vermijden van) seksueel gedrag
- Onderhouden van sociale banden
- Spelgedrag
- Thermoregulatie
- Voer- en wateropname
Een recenter Italiaans onderzoek toont de behoefte van kippen aan buitenuitloop aan.



Comfortgedrag
Zowel het EFSA-panel voor diergezondheid en dierenwelzijn als de wetenschappers van de Universiteit Utrecht raden systemen aan met strooisel en zitstokken voor broedkippen en leghennen, of verhoogde structuren voor vleeskuikens, zodat de dieren comfortgedrag kunnen vertonen. Zoals stofbaden, vleugelstrekken en -slaan. Kooien voldoen niet om dit gedrag te vertonen en worden afgeraden. Uit Italiaans onderzoek blijkt dat kippen meer comfortgedrag vertonen wanneer ze buiten kunnen komen.
Strooiselmanagement moet ervoor zorgen dat er altijd een laag droog en rul strooisel beschikbaar is van goede kwaliteit. Klimaatbeheersing speelt hierin een rol, om te voorkomen dat het strooisel vochtig wordt.
Vleeskuikens en hun ouderdieren vertonen minder vaak comfortgedrag dan leghennen. Voor stofbaden is er wel de behoefte aan droog en rul strooisel.
Door het niet kunnen uitoefenen van comfortgedrag kunnen kippen negatieve emotionele toestanden ervaren, zoals stress, ongemak en frustratie.
Prof. Bas Rodenburg, dr. Mona Giersberg en dr. Vivian Goerlich (2022)

Exploratie- en scharrelgedrag, foerageren
Kippen besteden van nature een groot deel van hun tijd aan scharrelen en pikken in de grond. Ze zijn volgens de RDA sterk gemotiveerd om exploratie te vertonen (krabben en pikken). Ook als gehouden kippen hun voer voor de neus krijgen, blijft deze sterke behoefte aan exploratie bestaan. Italiaans onderzoek toont aan dat kippen zeer gemotiveerd zijn om dit gedrag buiten te vertonen.
Als de dieren zich voor dit gedrag niet of onvoldoende op de grond, op strooisel of op ander substraat kunnen richten, bestaat het risico dat de dieren afwijkend gedrag — gericht op hokgenoten — ontwikkelen, zoals verenpikken.
Raad voor Dierenaangelegenheden (2021)
De wetenschappers van de Universiteit Utrecht bevelen een stimulerende omgeving aan met voldoende mogelijkheden voor scharrel- en pikgedrag. Het verschaffen van aanvullende omgevingsverrijking, zoals groen- en ruwvoer en strobalen, kan dit gedrag extra stimuleren. Bij voorkeur lopen kippen buiten in een natuurlijke omgeving met hogere en lage vegetatie.
Strooisel moet volgens de EFSA-deskundigen zo zijn samengesteld dat het foerageren bevordert. Bijvoorbeeld met verschillende deeltjesgroottes en -structuren.
Naast strooisel moeten er ook manipuleerbare materialen en objecten beschikbaar zijn om exploratie en foerageren te stimuleren. Driedimensionale structuren moeten worden aangeboden om exploratie te stimuleren.
EFSA-panel voor diergezondheid en dierenwelzijn (2023)

Maternaal gedrag
Kippen zijn sterk gemotiveerd om rond het eileggen een geschikt nest te bouwen of zoeken, en hierin hun eieren te leggen. Hoewel het meeste onderzoek naar nestgedrag is gedaan bij leghennen, zijn de bevindingen volgens EFSA ook van toepassing op ouderdieren van vleeskuikens.
Beperking van nestgedrag kan leiden tot rusteloosheid en frequente verandering van positie. Deze gedragingen zijn een uiting van de negatieve emotionele toestanden stress en frustratie.
Prof. Bas Rodenburg, dr. Mona Giersberg en dr. Vivian Goerlich (2022)
Voordat zij hun eieren leggen, zoeken kippen naar een geschikte nestplaats en vertonen ze nestbouwgedrag. De vloer van het nest mag daarom niet van gaas zijn, maar moet manipuleerbaar materiaal bevatten waarmee de kip een nest kan bouwen.
Een nest moet een ondoorzichtige bovenkant, zijkanten en achterkant hebben om een beschutte, veilige omgeving te creëren waarin de kip haar ei kan leggen. De voorkant moet voorzien zijn van een ondoorzichtig gordijn waar de kip gemakkelijk doorheen kan om het nest te betreden. De toegang tot de nesten moet worden vergemakkelijkt door het plaatsen van platforms in plaats van zitstokken voor de nestingangen.
Nesten kunnen zo groot zijn dat één kip nestgedrag kan vertonen of dat een kleine groep legkippen samen kan nestelen. Nesten moeten in compartimenten zijn verdeeld, bijvoorbeeld niet meer dan een halve vierkante meter, en voldoende ruimte per kip toestaan, zoals minstens één nest per zeven hennen en 1 m² nestruimte voor maximaal 120 hennen in het geval van groepsnesten.

Moederzorg
In het wild biedt de moeder beschutting en bescherming, en helpt ze de kuikens bij het vinden van voer. Dit natuurlijke gedrag is in de gangbare pluimveehouderij onmogelijk, omdat de kuikens opgroeien zonder moeder.
Er zijn systemen die gebruik maken van kunstmoeders (dark brooders). Dit zijn donkere, warme schuilplaatsen voor kuikens. Als donkere broedkasten als enige warmtebron worden gebruikt, moet er volgens de EFSA minimaal 120 cm² donkere broedkast per kuiken worden geplaatst, zodat alle kuikens de donkere broedkast tegelijkertijd kunnen gebruiken.

Rusten
Eén van de grote welzijnsbeperkingen in gangbare pluimveehouderijsystemen is gebrek aan rust voor de dieren. Omdat stallen te druk zijn, en omdat er onvoldoende rustplekken worden aangeboden. Dat leidt tot lichamelijke problemen, omdat de dieren bijvoorbeeld op een te harde ondervloer rusten, maar ook tot frustratie en stress, wat zich kan uiten in ongewenst gedrag naar andere kippen.
De EFSA-deskundigen raden aan om voor alle kippen de bezettingsgraad te verlagen — om te voorkomen dat rustende dieren door soortgenoten worden gestoord — en (betere) toegang te verlenen tot verhoogde structuren, waarop de dieren kunnen rusten (of ‘roesten’ wanneer de dieren in een groep slapen). Dat is niet mogelijk in kooisystemen.
Kippen zijn zeer gemotiveerd om op een hoger gelegen plek te roesten, en vleeskuikenouderdieren in de opfok en de leg vormen hierop geen uitzondering.
EFSA-panel voor diergezondheid en dierenwelzijn (2023)
Ouderdieren en vleeskuikens moeten volgens de EFSA toegang hebben tot verhoogde platformen die minstens 10 procent van de bruikbare oppervlakte beslaan. De platformen zijn toegankelijk via hellingen met een maximale helling van 25 graden.
Leghennen en ouderdieren gebruiken zitstokken om overdag te rusten, maar vooral ’s nachts. Een lengte van 21 cm per hen en 22 cm per haan zorgt ervoor dat alle ouderdieren toegang hebben tot een zitstok. Volgens de wetenschappers van de Universiteit Utrecht moeten zitstokken voor legkippen minimaal 50 cm boven het vloeroppervlak worden aangebracht.
Ook raden de EFSA-deskundigen aan om de hoogte van volières af te stemmen op de dieren. Zo moeten volières voor vleeskuikenouderdieren lager zijn dan voor leghennen met maximaal drie niveaus.

(Vertonen en vermijden van) seksueel gedrag
Leghennen kunnen over het algemeen geen seksueel gedrag vertonen, omdat ze meestal in koppels worden gehouden met alleen hennen. Vleeskuikens worden geslacht voordat ze geslachtsrijp zijn. Er is weinig bekend over de welzijnsconsequenties van het niet kunnen vertonen van seksueel gedrag.
Bij ouderdieren is dat anders. Die kunnen seksueel gedrag vertonen — maar vaak niet vermijden. Dat kan leiden tot veerschade en verwondingen bij de hennen, wat weer kan leiden tot angst, pijn en stress.
Voor de wetenschappers van de Universiteit Utrecht is dit een extra reden om de bezettingsgraad in pluimveehouderijsystemen te verlagen. Ook bevelen zij, net als de EFSA-deskundigen, extra schuilmogelijkheden aan.
Verhoogde structuren, zoals zitstokken, verhoogde roosters of afdekpanelen, kunnen worden aangeboden waar vrouwtjes tot op zekere hoogte aan de mannetjes kunnen ontsnappen. Of, als alternatief, kunnen de geslachten gedurende een deel van de dag worden gescheiden.
EFSA-panel voor diergezondheid en dierenwelzijn (2023)
(Ongewenst) seksueel gedrag wordt namelijk vaker waargenomen in de late namiddagen.

Onderhouden van sociale banden
Een stabiele sociale groep kan volgens de RDA een belangrijke basis zijn voor positieve welzijnservaringen. Dieren in een groep kunnen elkaar ook helpen bij het omgaan met stressoren (‘social support‘).
Een te grote groep kan echter groepsstress veroorzaken. Ook maakt een te grote groep het lastig voor dieren om andere natuurlijke gedragingen te vertonen, zoals comfort- en rustgedrag. In het wild leven zeven tot tien hennen samen met één haan. In gangbare pluimveehouderijsystemen leven duizenden kippen samen.
Zowel de wetenschappers van de Universiteit Utrecht als de EFSA raden aan om de bezettingsgraad in pluimveehouderijsystemen te verlagen. Het houden van dieren in kleinere subgroepen zou ook kunnen helpen om risico’s zoals verenpikken te vermijden. Meer onderzoek is nodig naar de optimale groepsgrootte en minimale ruimte die nodig is per groep.

Spelgedrag
Kuikens vertonen spelgedrag. Met name sparren en ‘worm running‘ (waarbij kuikens een worm of object in de vorm van een worm van andere kuikens proberen te stelen) gedurende de eerste twee tot drie levensweken.
Over het algemeen zou dit gedrag goed mogelijk zijn in zelfs gangbare pluimveehouderijsystemen, omdat de ruimte op die leeftijd nog niet beperkend is. Op vleeskuikenbedrijven wordt meestal echter geen verrijkingsmateriaal verstrekt om dit gedrag te kunnen vertonen.

Thermoregulatie
Kuikens zijn gevoelig voor zowel koude- als hittestress. Als het te koud is, kunnen kuikens verkleumen (stijf worden van de kou). Later in hun leven kan juist hittestress optreden. Beide kunnen leiden tot (fysiek) ongemak en stress.
Het stalklimaat moet daarom worden afgestemd op de behoefte van de kuikens. De deskundigen van de EFSA bevelen voor de eerste levensweek een temperatuur van tussen de 30 en 35 graden Celsius aan. In mobiele huisvestingssystemen met buitentoegang dient een omgevingstemperatuur van minstens 17 graden Celsius in de stal te worden aangehouden en moeten de kippen altijd toegang hebben tot de stal.
Bij vleeskuikens zou volgens de wetenschappers van de Universiteit Utrecht meer gebruik kunnen worden gemaakt van temperatuurgradiënten in de stal.
Dit sluit aan bij het aspect van de kunstmoeders (dark brooders). Bij het aanbieden van een dergelijke gradiënt kunnen kuikens zelf de temperatuur opzoeken waar ze behoefte aan hebben.
Prof. Bas Rodenburg, dr. Mona Giersberg en dr. Vivian Goerlich (2022)
Voer- en wateropname
Vleeskuikens hebben na uitkomst niet altijd direct toegang tot voer en water. Hun ouderdieren worden meestal beperkt gevoerd om te voorkomen dat ze te zwaar worden. Voerbeperkingen leiden tot gevoelens van honger bij de dieren en kan, bij vleeskuikenouderdieren, ook leiden tot stereotiep pikgedrag, zoals muurpikken en pikken in een lege voergoot.
Zowel de wetenschappers van de Universiteit Utrecht als de EFSA stellen dat kuikens en kippen altijd onbeperkt toegang tot schoon drinkwater moeten hebben; voor kuikens bevelen de EFSA-deskundigen een maximum van tien dieren per drinknippel aan. De hoogte van de drinknippels moet worden aangepast aan de leeftijd van de dieren, maar ook kleine of kreupele kuikens moeten er altijd bij kunnen.
Kuikens moeten direct nadat ze uit het ei zijn gekomen kunnen eten. De voerbakken van ouderdieren moeten groot genoeg zijn zodat de dieren gelijktijdig kunnen eten. Abrupte veranderingen in voersamenstelling moeten worden vermeden.






